en de ene kapitein hield em schuil in den dag
onder krulvarens, mos en het laag kreupelhout
en dien andere kapitein liet em varen: omhoog
steil omhoog naar de zon, naar stille mansardes
daar zitten ze nu op malkander te wachten
en gij changeert in dromen lijk het water
en gij changeert, ge duizelt over de aarde
gij ga
van bolbliksem tot blinkvloeker
van juke-boxer tot druivenplukker
vanminnelonk zonder stoef of palatie
tot poesjepoppen met schelige gratie
van wappers en geuzen en waterratten
van breugels en van de zatte gordijnen
van stalen boren en sjanderjon
en van eenzame, eenzame vlaamse
zakken vol spijt en beton
antwerpia staat in uw hart geplant
laat deze stad u nooit doen wijken
op klaarlichte dag sta ne zanger lijk ne groep
en hij kost er de zwarte botten niet stoppen
of de bruin enveloppen die dat em vervloekt
maar hier op zijn eentje omhelst em het steen
zijn gitaar is een lief voor de magere zee
gij schoon, schoon stamp in t gat
van modelprovincialen
van jenzuïtenklap
van politiek ajuinen
en van t weldenkscherschap
gij schoon, schoon toeffeling gij
van de malkontenten
van sentimentele generaals
van blazen en cenakels
en van soi-disante flaminganten
gij schoon, schoon wannes gij
en a ge dan wilt varen gij wannes: doeget niet
changeert liever zelfst in t scheld met een lied
gaat niet varen, blijft hier, bezingt uw rivieren
uw verrenuweerde straten en uw jeugd
er steekt een bitterschone deugd in u
blijft hier
antwerpia staat in uw hart geplant
laat deze stad u nooit doen wijken
ge vindt er in verre zeeën geen gelijke
verdwaalt met ons nog ene keer
vervloekt ons - maar blijft hier
blijft bij ons